Bernke Klein Zandvoort – “Het fragment, een boom en de letter O”

Bernke Klein Zandvoort (Amersfoort 1987) beweegt zich tussen de beeldende kunst en literatuur. Ze schrijft gedichten en essays, weeft tekst met beeld tot lecture performances, stelt programma’s en boeken samen, is soms curator. De bewegingen hebben alles met elkaar te maken. Haar tweede dichtbundel ‘Veldwerk’ verschijnt najaar 2020 bij uitgeverij Querido.

Foto: Bianca Sistermans

Het fragment, een boom en de letter O

Een tekst van Bernke Klein Zandvoort bij The Alphabet of Lost Order een tentoonstelling van Lex ter Braak

Het schijnt dat de Russische scheikundige Dmitri Mendelejev jarenlang patience-achtige spelletjes speelde met een set zelfgemaakte kaarten, waaruit uiteindelijk de rangschikking van het periodiek systeem is voortgekomen. Op de kaarten had hij alle elementen geschreven die tot dan toe waren aangetroffen. Tijdens lange treinreizen – in het raam schoot het landschap voorbij in snelle streken, smeerden bomen uit tot onleesbare tekens – legde hij de kaarten steeds opnieuw neer in andere volgordes. Zijn aantekeningen op de achterkanten van brieven en enveloppen worden nu in een archief bewaard.

Wat me altijd zo geprikkeld heeft aan deze anekdote, is de bezwerende volharding van een man die, hoewel hij heus de rimpels door het gezicht van zijn vrouw zag trekken en genoeg naar buiten keek, ervan overtuigd was dat de steeds veranderlijke werkelijkheid terug te dringen was naar een tabel. Een tabel met vakjes van dezelfde grootte die zelfs het gedrag van nog onontdekte elementen voorspelbaar maakten. En het kaartspel. Het zelfgemaakte kaartspel is me bijgebleven. Handen die maandenlang steeds andere ordeningen maakten met hetzelfde geheel.

Het werk van Lex ter Braak heeft niets met het periodiek systeem te maken. Het tegenovergestelde juist, de titel The Alphabet of Lost Order suggereert dat er iets verloren is of is gegaan. Om dat te laten resoneren, maken vier gastcurators om de beurt samen met Lex elke donderdag een nieuwe keuze uit het totaal van werken dat in het kantoor van Nieuw Dakota staat. Om 17.00 uur wordt de nieuwe tentoonstelling geopend met een gesprek. The Alphabet of Lost Order zal in de laatste week dan ook vier plattegronden hebben, vier selecties uit hetzelfde geheel.

Deel en geheel, al snel komt ons gesprek op dit onderwerp terecht als ik Lex de eerste keer opzoek in zijn atelier. Omdat zijn werk nieuw voor me is, en ik het fijn vind om het geleidelijk te leren kennen, bezoek ik hem in totaal drie keer.

Het atelier bevindt zich op de bovenste verdieping in de hoek van een oud schoolgebouw. Twee lange raampartijen ontmoeten elkaar in de vouw. Als ik binnenstap, is het dan ook niet zijn werk, maar vooral een immense boom die mijn aandacht trekt. De boom is groter dan het gebouw en vult een groot deel van het beeld. Alle andere zaken die tot het uitzicht behoren – de daken van rijtjeshuizen, de top van de Sint Bavo kathedraal – zijn klein en onbelangrijk naar de achtergrond geschoven.

Het was een van de belangrijkste redenen geweest om dit atelier te nemen, vertelt Lex terwijl ik mijn blik van de boom losmaak. Er hangen een aantal doeken aan de muur en op een deel van de vloer liggen tekeningen uitgestald. Hij tekent veel (‘altijd al gedaan, ook toen ik student aan de Rietveld Academie was, al was het toen een absolute no-govoor een kunstenaar om naar buiten te gaan, te romantisch’) en vaak zijn het bomen. Dan kiest hij een fragment uit een tekening, kopieert dat naar een groter formaat, om daar vervolgens met een spuitbus of verf op te werken. In het begin had hij na de jarenlange onderbreking wel wat moeite gehad om het schilderen weer op te pakken. Een tekening, daar kan je altijd wat van afknippen, bijplakken ook. Een schilderij is een bestaand vlak. Eigenlijk omgekeerd aan het maken van een foto, stel ik voor. Waar je met een camera een beeld ‘knipt’ is met schilderen de uitsnede al gegeven, en daarbinnen laat je iets ontstaan.

Als ik dichterbij de schilderijen kom, zie ik folie waarop een foto is gedrukt. Ik herken iets landschappelijks, maar helemaal duidelijk wordt het niet, omdat het folie zowel een nieuwe laag is waarover met grote en kleine gebaren is heen geschilderd, als een doorkijk naar wat eronder ligt. Hoe langer ik naar het schilderij kijk, hoe minder ik weet naar welke laag ik zit te kijken. Er is beweging tussen de lagen, die door wil zetten buiten de randen. Ik denk aan ooghoeken en hoe ze ons beeld continu inkaderen. Hoe ze overal een fragment van maken, terwijl ik weet dat het beeld buiten mijn ooghoeken gewoon doorwoekert.

‘Door te werken met verschillende lagen wil ik de boom aan de boom teruggeven, maar het ook een beeld te laten zijn,’ vertelt Lex. ‘Maar het blijven portretten van bomen.’

Ik antwoord dat als hij het woord ‘boom’ nooit had laten vallen, ik in geen van zijn werken een boom had gezien. Hij moet lachen en vindt het geen probleem.

Die eerste keer vallen me ook de grote hoeveelheid polaroids op. Wolken, bloemen, struiken, water en bomen. Veel bomen. Zonder dat ik ernaar vraag begint Lex een soort verhandeling over waarom hij alleen maar met polaroids werkt. Gewone foto’s noemt hij problematisch omdat het statische uitsnedes zijn uit een werkelijkheid die van zichzelf nooit stilstaat, juist in alles over beweging gaat – ja, schilderachtig is. Polaroids daarentegen, benadrukt hij, maken geen aanspraak op de waarheid. Het gruizige, onvolkomen beeld lijkt niet helemaal zeker te zijn van zichzelf. Terwijl Lex spreekt, legt hij steeds een nieuwe stapel polaroids in rijen op zijn bureau uit. Het gaat snel, maar wat ik kan zien is dat hij over bijna elke polaroid heen geschilderd heeft en dat de verf zich meestal niet aan de randen van het kader houdt. Telkens als Lex de laatste polaroid heeft neergelegd, pakt hij de eerste alweer weg om de stapel op te ruimen en een nieuwe uit te leggen.   

Op weg naar huis denk ik over hoe weinig foto’s we nog afdrukken, en hoe ik foto’s eigenlijk altijd het mooiste vond wanneer je ze in de doka in het ontwikkelbad zag opkomen. De beweging van het opkomende beeld, het beeld dat aan het worden is. En dat het polaroidprocedé je misschien daarbij bepaalt: niet alleen tijdens de eerste wapperende seconden, ook in het eindresultaat. De onzekere afbeelding, waarbij je zelf de gaten moet invullen, blijft altijd de kwaliteit van het ‘wordende’ beeld bezitten.

Ik besluit Lex daarom over mijn eigen polaroids te vertellen, de tweede keer dat ik bij hem langs ga. Hoe ik, vlak voordat ik naar de Rietveld zou gaan, om een polaroidcamera had gevraagd om de verveling van een ziekenhuisopname te verdrijven. Ik had een klein project bedacht wat mogelijk een leven lang zou duren: ik wilde van elke dag een foto maken, en die foto moest het vermogen hebben om me jaren later nog met de snelheid van een cameraklik terug te voeren naar het afgebeelde moment. Een foto per dag, dat betekende kiezen, een regel die voortkwam uit pragmatisme (polaroids waren kostbaar) maar ook uit verzet tegen, hoewel ik dat toen onmogelijk zo verwoord heb, de klakkeloosheid waarmee je met een telefooncamera een hele dag in wissewassige foto’s om kon zetten. De hoeveelheid fragmenten die er bij elkaar werden geklikt maakten van elke dag een leesbaar panorama. Niets momentopname.

En ik zou zeggen dat het wel gelukt is. Niet met de voortzetting van het project, maar als ik nu door de stapels heen ga weet ik nog precies waar ik was en waarom ik ervoor koos dit specifieke fragment uit de dag te knippen. Flets ziekenhuiseten, de handen van mijn oma op de beige deken, aankomst op Amsterdam CS, tramdraden, duiven, nieuwe schoenen – allemaal werden ze losgeweekt uit het geheel. Uit de eindeloze stroom fracties tussen toen en nu heb ik er een paar kunnen fixeren. En dus wil ik Lex vertellen dat ik het niet eens met hem kan zijn. Anders dan bij ‘gewone’ foto’s, benadrukt het kader van de polaroid dat het een fragment is, een breuk, een moment gegrist uit een woekerend geheel. Er gaat helemaal niets door, het fragment wordt juist in het vierkante kader geklemd.

‘Lex,’ begin ik, ‘speel je niet eigenlijk de foto en het schilderij tegen elkaar uit?’ 

De derde keer dat ik Lex bezoek vertelt hij dat hij besloten heeft dat er geen woord aanwezig zal zijn in de tentoonstelling. Geen zaaltekst, geen titels, geen biografie. Alleen de plattegrond zal de bezoeker iets van duiding aanbieden, maar het gegeven dat die vier keer aangepast wordt, haalt het gebaar ook weer onderuit. Omdat het bijna Sinterklaas is, serveert hij een groot stuk speculaas wat ik zelf mag breken. Zoals altijd vallen mijn stukken groot uit. Als hij dan toch iets over zijn werk zou moeten zeggen, dan zou dat zijn dat hij op zoek is naar manieren om vast te leggen wat voortdurend in beweging is. Een mooie tegenstrijdigheid om mee te werken, merk ik op. Lex antwoordt dat het, zolang we de beelden niet naar taal vertalen, het eigenlijk best goed lukt. Hij reikt me het boekje Schaduw werk van de Duitse schrijver Julius Heine aan en vindt na wat geblader zijn favoriete citaat: ‘Taal maakt en kleurt de wereld maar is haar niet (…) Het meten van de werkelijkheid met behulp van taal is net zo onbetrouwbaar als een kronkelend meetlint.’

Als ik thuis verder lees, blijf ik hangen bij een mythe over het ontstaan van taal. De eerste mensen leefden in donkere wouden, zo gaat het verhaal, tot ze op een dag open plekken begonnen te hakken in het dichte bladerdak. In het zwart van de boomkruinen werkte zo’n gat als een oog, en voor het eerst zagen ze de hemel waarin wolken onbegrijpelijk transformeerden. Taal zou zijn ontstaan uit het verlangen om het onbegrijpelijke te duiden. Tijdens het lezen vraag ik me af of de mensen niet ook, zonder dat ze het door hadden in het zwart van het bladerdak, het eerste fragment hadden geschapen. Wonderlijk genoeg in de vorm van hun eigen oog en ook de letter O, die er vast heeft geklonken.

Alle keren dat ik Lex bezoek, valt het me op hoe vaak hij iets kwijt is. Laden vliegen een voor een open (‘hier moet het toch liggen?’) maar wat hij zoekt ligt er nooit. Dan laat hij het even zitten, om zichzelf het volgende moment niet uit te kunnen staan en verder te zoeken. Binnen tien minuten ligt de vloer bezaaid met een hoeveelheid tekeningen en zeefdrukken waarover hij, lijkt het, met dezelfde energie als het kwijt zijn van iets, wild heeft heen geschilderd. ‘Wacht, ik wil je dit nog laten zien.’

‘Ik had het toch op deze stapel neergelegd?’

‘Wat vind je van deze?’

‘Nog eentje dan?’

Als het hem teveel wordt vraagt hij of ik even aan de kant wil gaan zitten. ‘Dan kan ik wat orde scheppen.’

Voor een tentoonstelling waarin weinig woorden aanwezig zullen zijn, hebben we het in alle gesprekken opvallend veel over taal. De spil in de tentoonstelling is zijn boek Wordless, de titel is een tegenstelling: chaos gerubriceerd in een alfabet. En de vier verschillende versies waaruit de tentoonstelling zal bestaan, noemt Lex steeds herschrijvingen. Ik breng het kronkelende meetlint ter sprake. Zeg dat ik het een mooi beeld vind, en dat het wel enigszins lijkt op hoe ik woorden vaak als lasso’s zie. In tekenfilmstijl zie ik het touw tegen een blauwe lucht, hoe de vervormende lus een voorspelling probeert te maken van het onderwerp dat het wil vangen. Maar het onderwerp is altijd op de vlucht. Mijn woorden vormen zich veel langzamer en gebrekkiger dan de gewaarwordingen die ze pogen te beschrijven. Meestal grijpt de lasso, net zoals in tekenfilms, dan ook mis: het dier ontsnapt, de buurman raakt verstrikt, het touw ligt in een lege lus op het zand.

‘Precies daarom,’ zegt Lex, ‘hoef ik geen tekst.’

Uit een ladekast komt een klein schetsboek tevoorschijn. Jaren geleden was hij, bij aanvang van zijn nieuwe baan in een stad honderden kilometers verderop, er samen met zijn zoon naar toe gefietst. Ze reisden licht, maar hadden allebei wel een tekenset in hun bagage gestopt. Een reis die in twee dagen kan worden afgelegd duurde een week, omdat ze de hele weg hebben getekend. Zo werd de aanvang van een nieuwe baan ook het begin van een nieuwe serie werk. Bomen vullen de bladzijden van het schetsboek, ver weg in een landschap of op de bast zo dichtbij. Ik kijk weer naar de boom die groter is dan het ateliergebouw. De ramen kaderen een deel van de kruin, die in een wirwar van korte en lange vertakkingen, volop aan het gebeuren is. ‘De belangrijkste reden om dit atelier te nemen,’ roept Lex vanuit de kleine keuken. Hij zet thee en nodigt me uit me thuis te maken in zijn werk.