Ruimte voor translokale kunst

STEUN ONS

The Catch

november 20, 2017  |  The Catch

Poëzie is bij uitstek een woekerend genre, een talige kunstvorm die zich voedt met wat zich uit de werkelijkheid aan de dichter aandient. Al eeuwen blijkt de beeldende kunst voor dichters een bijzonder vruchtbare bron van inspiratie. En al eeuwen biedt de poëzie reacties en reflecties op kunstwerken, die daardoor van nieuw leven in een nieuw licht worden voorzien. Tot op de dag van vandaag kunnen woord en beeld gezien worden als vrienden die het beste in elkaar naar boven brengen. Dat en hoe beeldende kunst als voedingsbodem kan dienen voor nieuwe gedichten fascineert Thomas Möhlmann. Thomas Mohlmann voert als curator van de poëzie de regie; hij nodigt andere dichters uit om te reageren. Bij ieder project kiest hij een dichter en koppelt hem of haar aan de makers. Vanaf dat moment werkt de dichter aan een nieuw gedicht geïnspireerd op het werk. Op de slotdag vindt een bijeenkomst plaats waarbij de dichter het nieuw geschreven werk ten gehore brengt.

Sylvia Hubers, “Beautiful Distress”

oktober 9, 2017  |  Algemeen, The Catch

   foto: Harry van Kesteren

Sylvia Hubers liet zich inspireren door de tentoonstelling Beautiful Distress en schreef nieuwe poëzie. Zij droeg deze op de laatste dag van de tentoonstelling voor.
Sylvia Hubers schrijft gedichten, prozagedichten en kort vreemd proza. Ze publiceerde zes dichtbundels. In 2015 verscheen bij Prometheus haar eerste bundel microproza Hier moet ik ingrijpen. Van 2009 tot 1013 was ze stadsdichter van Haarlem. Ze leest geregeld voor en werkt samen met kunstenaars en muzikanten, o.a. in ‘FamilyTies‘, WW&V en De Vorlesebühne. Dit jaar verschijnt haar tweede bundel microproza. www.sylviahubers.nl

      I. De natuurkrachten

Ik beklim een muur. Dat is zonde van mijn tijd en energie, omdat het veel
makkelijker zou zijn de muur plat neer te leggen en er als vanzelfsprekend
overheen te lopen. Maar zo is het in mijn wereld niet. Ik behoor verticaal tegen
de natuurkrachten in te gaan.

      II. Wat ik wilde

Ergens in mij zat iets dat een beetje moeite had met mij. Ik wilde dood – nee
dat wilde ik niet, ik wilde smelten, met iemand – nee nee nee, ik wilde smelten
met niemand – ik wilde korrels worden in een kattenbak of caviaruif bij
diervriendelijke mensen – nee dat ook niet, ik wilde in de papierversnipperaar
als geflopte romans van mislukte schrijvers – dat moest ik ook niet willen – ik
wilde oplossen in niets, opdat ik oplossingen zou zijn voor hele grote
problemen – ik wilde op heel veel plaatsen tegelijk zijn – om er te zijn.

      III. Tegen wie ik het heb

Als ik wist wie ik was kon ik mezelf zijn ze zeggen steeds dat je jezelf moet zijn
alleen maar jezelf maar wat als je niet weet wie je bent wie je bent zeggen ze
er niet bij zoek het effe lekker zelf uit dat zeggen ze als ze zeggen dat je jezelf
moet zijn zonder erbij te zeggen wie je bent nou weet jij wie je bent ik durf
te wedden dat zij zelf ook niet weten wie ze zijn dat zij dat ook niet weten en dan
tegen de anderen gaan zeggen dat zij zichzelf moeten zijn maar dat ze dat net
zo goed konden zeggen tegen zichzelf zeg ik dan maar tegen mezelf ook al
weet ik dan niet tegen wie ik het heb.

Joost Baars – “Monochromatic”

oktober 9, 2017  |  Algemeen, The Catch

 foto: Tessa Posthuma de Boer

Joost Baars (1975) is dichter en essayist. Hij debuteerde in het voorjaar van 2017 bij Uitgeverij Van Oorschot met de bundel Binnenplaats, die zeer lovend werd ontvangen en werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij schrijft met enige regelmaat stukken voor AwaterPoëziekrant en Liter en is sinds kort redacteur van het op beeldende kunst en literatuur gerichte weblog Yes The Void.

genealogie van het spreken 

huilen pijn voedsel zei de chimpansee
toen men hem vroeg

een radijs te beschrijven. spreken

is woorden tot je beschikking
hanteren voor waar-

voor ze in jou nog ontbreken.
huilen pijn voedsel, zeg je

nog voordat de eerste
je lippen verlaat,

blijf je zeggen daarna
met elk woord dat je leert

huilen. pijn. voedsel. iedere.

keer. als een cel bij het delen,
een vis op het droge, een vloot-

kapitein die landt aan een land
dat hij niet heeft gezocht

en zijn zwaard trekt, een volk
dat zijn witte verdelger

verwelkomt als god. dan de man
die uiteenvalt die achter

al die uiteenval de kamer
betreedt waarin wij

met elkaar in uiteenval
verkeren, verwonde

verwoording vertrokken verstomd

in een woordloze o
een kuikengebed

om hem die het lichaam
als moeder verteert

tot huilenpijnvoedsel

een nieuw eerste
woord voor ons

sprekers van taal zonder vrucht.

Frank Keizer – “Home Is Where You Fit”

september 7, 2017  |  Algemeen, The Catch

    Foto: Koen  Broos

Frank Keizer (1987) woont in Amsterdam-Noord en schrijft gedichten en essays. Hij publiceerde twee chapbooks bij Uitgeverij Stanza: Dear world, fuck off, ik ga golfen (2012) en Mijn eigen problemen (2015). In januari 2016 verscheen bij Uitgeverij Polis zijn eerste volledige bundel Onder normale omstandigheden. Hij is redacteur bij tijdschrift nY en richtte samen met dichter Maarten van der Graaff het online tijdschrift Samplekanon op.
Op  15 september droeg Frank Keizer zijn werk voor, dat hij geïnspireerd op Home Is Where You Fit van MG&M Collective schreef. Aansluitend vond het debat Home Is Where You Fit plaats.

 

 

Wie je bent, hangt af van waar je bent. Je beweegt eigenlijk binnen gerechtelijke grenzen, maar die zijn onzichtbaar, als je niet hoeft te rennen voor je leven. Je bekrachtigt niets, annuleert niets, maar zoals je verliezen hebt die bijkomstig zijn, achteloos de taal van relaties binnensluipen, zo heb je ook winst waarvoor je niets hoeft te doen, alleen maar hoeft te zijn, waar dan ook. Zie je het singuliere, en hoe feilloos het overgaat in het universele, dat gelegen komt? Het is een prachtige route, langs kliffen als Instamomenten die vroeger majestueus heetten. Nu is dat woord gereserveerd voor stofwolken en ruïnes. Een soort anomie. Maar natuurlijk bestaat er geen waar dan ook, ik ben hier, in mijn slechte middelstand. Wat je wilt is reeksen doorbreken. Zoals: huisjes die huizen imiteren, het bordje waar refugees op staat, het echte geweld van symbolisch geweld, of was het andersom. En deze: geen idee hebben is geen hoop hebben is geen thuis hebben. Het moet anders. Het is oorlog.

 

 

 

In een vroeger werk van Gil & Moti zien we een vluchteling die vertelt dat hij zijn land ontvluchtte omdat hij anders was, om bij aankomst in Zweden opnieuw anders te worden. Hij klimt uit het zwembad, springt weer in het zwembad. Anders anders, denk ik meteen, want je verdachte beweeglijkheid is ingeruild voor een verdachte starheid. Eerst word je van binnen bekeken, en daarna van buiten – een gedachte die je nog een beetje moet uitwerken. De jongen lacht onophoudelijk, niet breeduit maar een beetje nerveus, waardoor er een vreemde wanverhouding ontstaat tussen wat hij vertelt, zijn buitenstaanderschap, zijn gevoelens van eenzaamheid, en de manier waarop hij vertelt, zijn mimiek, zijn houding. Komisch, alsof hij gevangen zit en op een ontsnapping wacht, nee misschien niet alsof. Het komische is tenslotte gebouwd op wanverhouding, een omkering: de verwachtingen worden niet ingelost, maar het trauma kan meteen worden verwerkt door geruststellende absurditeit. Orde verstoord, orde restored. Maar wat als er niets komisch is aan deze lach? Wat als de jongen lacht uit schaamte? Niet weten waar je bent, niet weten wat je moet voelen, betrapt om je heen kijken, je lacht wat, verdrijft het gevoel van ongemak. Schaamte: iets innerlijks dat ongewild naar buiten komt. Schaamte is vaak precies niets om je voor te schamen, het is een interesse, een nieuwsgierigheid die tenietgedaan gewordt, maar nooit helemaal. En de kracht van deze emotie is zo sterk dat het kapot kan maken wie je wilt zijn. Wat blijft erover? Een breekbare basis voor verbondenheid misschien: schaamte kleurt en isoleert ons, maar doet ook verlangen. Je voelt het kriebelen en jeuken en je hart verwarmen. Gelukkig zijn, dat is gewoon zijn, de schaamte voorbij. Maar nooit zonder erdoorheen te gaan, erdoor besmet te worden. Veranderd. We zijn verstrengeld in elkaars blik, de jongen en ik, die een gedeelde blik wordt. Wat moet ik doen, terug lachen? Ik schaam me, dat is wat je doet als je iemand niet kent die je wel wil leren kennen.

 

 

 

Eten of schilderen? Verf of sigaretten? Cobra bestond bij gratie van zulke beslissingen. Wanneer houden zulke beslissingen op ertoe te doen? Het antwoord zou geld kunnen zijn, of een ander woord voor geld: autonomie. Maar Cobra stopte omdat Asger Jorn er met de vrouw van Constant van doorging – veredelde roddel, volgens de curator van het Cobramuseum. Cobra, zeggen kunsthistorici, stopte eigenlijk niet echt, maar ging op in nieuwe samenwerkingen. Er is continuïteit, maar we willen breuken. Je kunt ook zeggen: de handtekeningen waren gezet, de groep werd al geschiedenis, time to move on. Laten we hergroeperen, vernetwerkt raken, onszelf opnieuw uitvinden. Door de naoorlogse wereld rommelde een morsige energie, die korte tijd het idee voedde dat kunst een nieuwe maatschappij kon voorspiegelen, zo niet maken, en dat al die manieren waarop je kon rotzooien materiaalonderzoek was voor een komende wereld. Dat ging verder dan dit of dat ene schilderij, de singuliere maker, al die mystificaties die nu in musea hangen. Dan is roddel de taal waarin het collectief vertelt over zijn eigen geschiedenis, een soort openbaarheid van de armoe. Nu romantiseer ik ook. Bestaat er eigenlijk een naoorlogse wereld? Is er nog interessante armoede? Eerst deden kunstenaars alles zelf, later kregen ze hulp van bureaucraten, technici, wetenschappers, curatoren. Je kunt ook zeggen: autonomie is een relatie. Dit wordt zo wel weer gemakkelijk een verhaal van onttovering, kijk maar eens waar we nu zijn – kunst is neoliberaal, witgewassen, een glijmiddel voor het genetwerkte kapitalisme. Allemaal waar, maar het afwijzen alleen interesseert me niet meer. Kunstgeschiedenis is het maken van mythen, kunst is het wanneer iemand schildert, schrijft, eten moet kopen. Wat wordt er afgepeld, welk verhaal wordt doorverteld?Ik weet wat ik vandaag doe, over morgen heb ik geen idee.

 

 

 

In elk geval voel ik me minder slecht, ik schrik niet meer, en dat kan genoeg zijn. Is dat sentimenteel? Toebehoren aan jezelf, de vrijheid van het individu hebben, de fantasie waarop onze levens zijn gebouwd. Terwijl je banaliteit gewoon wilt, misschien, even niet verlangen naar intensivering. Ik ben niet tegen. Geloof er misschien wel in zelfs. Ik vraag me alleen af wat mijn vrijheid doet. Werken? Dat in elk geval. Beschikken over dood en leven? Ook. Het utopisch universalisme heeft offers nodig, en die lopen door lege straten. We zijn in de staat, maar niet van de staat. Intussen vraag ik me af welke schrille soevereiniteit ik heb, hoe ik verneder. Er is een grote bezitsloze klasse, en een paar klassenloze bezitters. Die kant gaan we op, toch? Zijn de voorwaarden voor het communisme dan toch aanwezig? Wat ons vermindert en wat ons doet leven, wilde Spinoza weten. En dat was geen test, wat werkt het best, maar een interesse in werkzaamheid. Potentie. Hoe we onszelf kunnen doen leven, zelfs als dat maar overleven is. Het is tijd nu. Tijd van het nu, het nog, nog niet, nog niet helemaal, het nee, het misschien, misschien nog dit, wat al wel, dit nog, daar, hier, en daartussen.

 

Tsead Bruinja – “Inside Outside”

april 12, 2017  |  Algemeen, The Catch

 

 

 

 

 

 

Foto: Tineke de Lange

 

Tsead Bruinja (Rinsumageest, 1974) is dichter in het Fries en in het Nederlands. Zijn meest recente bundels zijn Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers (Afûk, 2013) en Binnenwereld buitenwijk natuurlijke omstandigheden (Cossee, 2015). Bruinja stelt bloemlezingen samen, recenseert, presenteert, interviewt en treedt op in binnen- en buitenland. Daarnaast werkt hij regelmatig samen met muzikanten, beeldend kunstenaars en vormgevers. Verder is Bruinja werkzaam als docent poëzie aan de opleiding Creative Writing (Artez, Arnhem).Tijdens Inside Outside en Depth of Field #3 van Maze de Boer zal Tsead Bruinja nieuwe poëzie schrijven en deze voordragen in het laatste weekend van de tentoonstelling .

op beton is het koud liggen

een beitel glijdt uit een hand
die zich ontspant en valt
op een andere beitel

in de plastic gereedschapsbak deint geluid
van wand naar wand

om het vlak onderaan de machine
wordt schuurpapier geknecht

nerven van het apparaat vullen zich met stroom

in het zonlicht danst zaagsel
en valt op haar schoen

haalt ze die weg dan zie je omtrek
beton ligt koud

aan de andere kant van de radio
wordt een schuif opengezet
longen gevuld met adem

vader en zoon zijn verwikkeld in een afschuwelijk ongeluk
vader sterft zoon wordt naar het ziekenhuis gehaast
net voor hij onder het mes moet zegt de chirurg
ik kan die jongen niet redden
het is mijn zoon

misschien heeft ze kort haar rood haar lang haar
kroeshaar een paardenstaart hoge hakken
of zweedse klompen aan

een dode vader zingt

draag altijd een veiligheidsbril
een gewone bril of een zonnebril
is geen veiligheidsbril

raadsel zaagselt in de zon
waar het hout wordt getemd
en de radio zich opnieuw vult
met moed en adem

 

 

Annemieke Gerrist – “Body Betrays Itself”

december 10, 2016  |  The Catch

annemiekegerrist

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Ze debuteerde in 2008 met de dichtbundel Waar is een huis bij uitgeverij De Bezige Bij, waar in 2016 ook haar tweede bundel Het volume van een logé verscheen. Over haar werk schreef NRC Handelsblad: ‘Haar alledaagse onderwerpkeuze staat haaks op haar collagetechniek. Keer op keer monteert ze taalfragmenten aaneen die doorgaans niet logisch samenhangen. Annemieke Gerrist beheerst het handwerk van de vervreemding.’

Matthijs Ponte – “Zuiver”

oktober 30, 2016  |  The Catch

mattijs-ponte-web

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Matthijs Ponte (1982) publiceerde in 2015 gemeenschap bij Halverwege chapbooks. Hij is hoofdredacteur van uitgeverij Bananafish en was medeoprichter van Read my World, het internationale literatuurfestival dat jaarlijks in Amsterdam-Noord plaatsvindt. Daarnaast schrijft hij met regelmaat over poëzie, filosofie en politiek.

De bomen

I

Deze boom zoekt een mens
zoekt een mensheid
zoekt de blik van een mens
in de boom zoekt
de blik van de mens
in de boom zoekt het blad
van de boom als een mensheid

deze mens zoekt de blik van de vis
in de boom van de kikker
en de boom van de vis
in de boom met de blik
van de mensheid op de zoekende

rivier van de boom met een blik
op de hoop van een roeiende
mensheid met een blik op de droom
van een scheppende draaiende
gravende mensheid met een blik

op de dood van een mensheid zit
de visvrouw met de kam
op haar steen al te wachten

II

Op het plein van de school staat
een boom voor de goudgeld-
kinderen en hun zakjes met sap

om de hoek van de school staat
een boom voor de goudzucht-
kinderen en hun flesjes met bier

ik ben een kind zonder goudgeld
een kind zonder goudzucht maar wit
en ik reis van boom naar boom

III

onder de boom op het plein lees ik
de keurige bijbel van de keurige god
van de keurige mensheid

onder de boom om de hoek lees ik
de rastafari bijbel van de rastafari god
van de rastafari mensheid

IV

nu ben ik de witte rasta
zonder god die zich opnoemt
nu ben ik de strenge kijker
zonder grot die zich opbrandt

een spin hijst zich op
uit de bron van mijn taal
en bestaat me

Floor Buschenhenke – “Licht in Noord, spel van differenties”

september 17, 2016  |  The Catch

floor-buschenhenke

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Floor Buschenhenke (1978) is dichter, schrijfdocent en onderzoeker uit Amsterdam-Noord. Van haar hand verschenen de dichtbundels Eiland op sterk water (2009, Atlas) en Het moeten eenhoorns zijn (2014, AtlasContact). In opdracht van het Huygens ING (KNAW) instituut onderzocht ze onder meer het werkproces van hedendaagse auteurs. Als schrijfdocent begeleid ze proza-, poëzie- en academische projecten.

Er is van alles maar één
breedtegraad 52.401206 | lengtegraad 4.895302
door Floor Buschenhenke, gemaakt bij de fotoserie ‘Blauwe deur NDSM-loods’,

1.

koud blauw in mijn rug, stil zijn, niet lachen, ze komt me halen
hondje in de hal wil geaaid worden en daar ligt een mooie steen

niet bewegen nu, ze is bijna klaar met tellen, zij is buiten en ik luister,
dit is een heel groot huis, er lopen mensen rond die naar me kijken

die mevrouw ziet er lief uit, zou ik van haar wèl een robot mogen?

tien!

ze loopt rond, ze roept mijn naam, ik wil naar buiten en bewegen
ik knijp mijn ogen stijf dicht, ik ben er niet – vang me alsjeblieft

grote mama-handen om mijn armen, warme mama tilt me op
ik heb je boefje zegt ze – wat ik nu verstop ziet ze niet

2.

ik leun op de afgesproken tijd, op de afgesproken plek,
tegen de blauwe deur, zo altijd zichzelf als hij ben ik niet,
afspreken in een deuropening was geen goed idee
je ziet me al van ver, terwijl je nog alle kanten op kan
ik zoek naar houdingen wanneer je dichterbij komt
waar laat ik mijn handen? waar laat ik mijn blik?

‘dat is lang geleden’ roep je, ‘je haar is nog hetzelfde’
voor de rest pak je de tijdvereffeningstabel erbij
tel acht maanden op voor mijn ontslag, twee voor je zwijgen
toen mijn vader overleed. ik weet het, je was druk
jouw haar is dunner, maar ik ben aangekomen
de verschillen hoeven we niet te zoeken

3.

elke ochtend, vaste prik,
sigaretje voor we naar binnen gaan
het interval is dus te klein
te klein om je echt te zien
veranderen alhoewel ik
van de graffiti op de betonblokken
wel degelijk elke ochtend zie
wat er die nacht bijgekomen is
en wat er daaronder zit
achteraf vragen ze dan: hoelang speelde het al?
ik zie je je sjaal rechttrekken, krabben op je hoofd,
tegen de deur leunen, moe misschien?
ja, wie is er niet moe,
ik zie je nu achter mijn oogleden
rook uitblazen

4.

de spoken houden zich aan een protocol
wanneer ze het blauw blauwer blazen
doen ze dat precies tot het moment waarop

je inziet dat de deur geen Rothko is, geen zomerlucht,
geen legoblokje, geen uitsnede van een oceaan,
zelfs niet de deur van vorige week, van daarnet,

tot middenin een werveling van interpretaties
een helder oog zich opent, vernietigend kijkt
de geest van deur en blauw en hier en nu je aan

5.

Locatie Datum/Tijd Observaties
Kantoor B. 12-09-2015, 10.41 Lange man, smalle heupen, blonde krullen. Draaide zich om toen ik binnenkwam. Hief z’n handen op, ‘te vies’, was de racefiets van B. aan het repareren. Stelde zich voor. Stelde me voor. Stelde me voor dat.
Pontplein 14-09-2015, 8.30 Hij liep een eindje voor me de pont af.
Fietsenrek 29-10-2015, 18.13 Hij was met een groepje, nam net een telefoongesprek aan en zijn uitdrukking werd waaks, gesloten toen hij hoorde wie het was. Ik probeerde onopvallend te doen.
Blauwe deur 3-11-2015, 3.00 Na de verjaardagsborrel van B. Hij kwam van een ander feest. ‘Is het nog bezig?’ riep hij hard en aangeschoten tegen mij toen ik naar buiten stapte, bijna tegen hem op botste. ‘Ze zijn aan het opruimen,’ antwoorde ik. Hij liep langs me heen naar binnen.
Noorderlicht 6-11-2015, 13.00 Tafeltje aan de IJ-kant. een zekere ontroering over hoe zijn tafelgenote een broodje eet. Voordat hij haar handen gaat vastpakken kijk ik weg.

6.

de blauwe deur laat ik open staan
want het ruikt hier anders dan gewoon

ik leid mijn rolkoffer naar zijn rustplaats
de wieltjes klonken feller bij vertrek

ben ik op reis gekrompen of
heeft de hal zich uitgerekt
tot een hoge loods vol kamers

hoe raak ik weer geschikt voor bewoning
ik heb zoveel in- en uitgepakt
ik moet nog leren om voor lief te nemen

Maartje Smits – “Tussen IJzer en Staal – 70 jaar NDSM”

mei 17, 2016  |  The Catch

portret-maartje-smits-portugal-2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maartje Smits (1986) houdt bijen, schrijft gedichten en maakt beeldend en journalistiek werk in diverse media. Ze studeerde Design aan het Sandberg Instituut en Beeld&Taal aan de Gerrit Rietveld Academie, waar ze intussen zelf les geeft. Daarnaast is ze docent bij de opleiding Creative Writing van ArtEZ hogeschool voor de kunsten. Eind 2015 debuteerde ze als dichter bij uitgeverij De Harmonie met de bundel Als je een meisje bent.

Echo’s blijven drijven
drieluik in C

c. de duim

lichtstil op de NDSM
water en zon kletsen plezier_
haven_schepen | een maandag
morgen begint altijd te laat
in dit dorp zonder kerk en duim
schroeven daar loodst een onderdraads versleten kindervest
wit licht door een schone witte ruimte
opslag zonder smeer zaagsel nagel riemen
in dit geraamte van een redding
klinkt pluisgras vast
zoals de stiknaad van een oud geluid langs
‘t kraanspoor dobbert
bleke passanten die stootkussens ombinden
watertrappelen met schorre stem de regels nog maar eens
doornemen motor voor spier | wijken voor indus-
trie

e. de middelvinger

Schatten klonken op gestort beton
schaduw van een nautische bestemming
dit weekend vlakt de helling tot pumps kunnen blijven
staan
mantrolleys aangedreven op electro beats
pompen wij, bekwame halfproducten
kinderen van de festivalindustrie
een dronken toerist aangekleed als dokwerker
valt in het IJ en zijn pis verdrinkt nog voor wij
doopnamen op de wc-deur kunnen kladden
een after slaat kapot tegen de kade
doop onze dope
op de bouwtekeningen van vanavond
is dit altijd de overkant

g. het pinkje

een kraan met contragewicht zwaait de morgen over
u een fluorescerend bandje dat draalt
op herhaling voor de artiestenuitgang
vastbesloten in hun raccordementen
de laatste belemmeringen worden weggeramd
onder uw kelen kietelt een tewaterlating
scheepsbeschieters, wapen u
ze raven tot het licht onverbiddelijk losgaat
op rimpels en kreukelig slapen
een pontje dat altijd teruggaat
een manoeuvre tussen twee dagdelen
de morgen de nacht zusterschepen
als halve mammoettankers aan elkaar gelast
en ergens diep in het nat daar beneden klotst
de echo van een ondergang

 

Lucas Hirsch – “Nul Nu”

november 8, 2015  |  The Catch


 

 

 

 

 

 

 

 

Lucas Hirsch (1975) is de huisdichter van Museum De Hallen te Haarlem. Zijn debuutbundel familie gebiedt verscheen in 2006 bij Uitgeverij De Arbeiderspers, waar ook de opvolgers tastzin (2009) en Dolhuis (2012) werden uitgegeven. Hirsch is de oprichter van het Haarlemse literaire productiebureau Kleine Revolutie Producties, waarmee hij onder meer het jaarlijkse poëziefestival Dichters in Elswout organiseert. In oktober 2015 verschijnt zijn vierde dichtbundel Ontsla me van alles wat ik liefheb.

NulNu

Omdat ik weten wil waar ik sta
ben ik van mijn lichaam uitgegaan,
trok ik mijn emoties van de wereld af
en kwam op nul tot stilstand

Nul is het punt waar ik sta,
is het lichaam dat ik ben,
de geest met aspiraties, een keurslijf
ter grootte van het universum

Nul is ordening, herhaling,
altijd menselijk imperfect
De laatste utopie, de these
en de antithese,
gedreven door bevrijding,
grenzeloos begrenst

Het is de zone van stilte,
van pure mogelijkheid,
als bij het aftellen voor de oerknal,
de lancering van een raket
Nul is één groot oog, het begin,
is dat wat eindigt, rond

Zie het lichaam dat je bent
de geest die het huist, je dovende
leven, een nieuw begin. Breek, beweeg,
doorwroet, wees teder

Draag jezelf, de wereld die je treft,
desnoods de almaar adelende liefde,
het nageslacht waarvan je droomde
Adem als geheel, kom op nul uit,
houd het vast