STEUN ONS

The Catch

maart 7, 2019  |  The Catch

Poëzie is bij uitstek een woekerend genre, een talige kunstvorm die zich voedt met wat zich uit de werkelijkheid aan de dichter aandient. Al eeuwen blijkt de beeldende kunst voor dichters een bijzonder vruchtbare bron van inspiratie. En al eeuwen biedt de poëzie reacties en reflecties op kunstwerken, die daardoor van nieuw leven in een nieuw licht worden voorzien. Tot op de dag van vandaag kunnen woord en beeld gezien worden als vrienden die het beste in elkaar naar boven brengen. Dat en hoe beeldende kunst als voedingsbodem kan dienen voor nieuwe gedichten fascineert Thomas Möhlmann. Thomas Mohlmann voert als curator van de poëzie de regie; hij nodigt andere dichters uit om te reageren. Bij ieder project kiest hij een dichter en koppelt hem of haar aan de makers. Vanaf dat moment werkt de dichter aan een nieuw gedicht geïnspireerd op het werk. Op de slotdag vindt een bijeenkomst plaats waarbij de dichter het nieuw geschreven werk ten gehore brengt.

Saskia Stehouwer – “La Défense, the Venturing Gaze”

maart 7, 2019  |  Algemeen, The Catch

Saskia Stehouwer (Alkmaar, 1975) studeerde Nederlands en Engels aan de Universiteit van Amsterdam en is dichter, volkstuinier en natuurwinkelmedewerker. In oktober 2014 verscheen bij uitgeverij Marmer haar debuutbundel wachtkamers, die bekroond werd met de C. Buddingh’-prijs 2015. Saskia’s tweede bundel verscheen in oktober 2016 onder de titel vrije uitloop. Op dit moment legt zij de laatste hand aan bindweefsel, een composteerbare dichtbundel gemaakt van zelfgeschept papier van plantenresten, die in een zeer beperkte oplage van 30 zal verschijnen in mei 2019 (kunstgroen.org/com-post). Een maand eerder verschijnt haar eerste Amerikaanse bundel, Free range, bij Dutch Poet Press (vertalingen Robert Perry, Joel Katz en Saskia Stehouwer).

Ellen Deckwitz – “Voetbal en Seks”

januari 2, 2019  |  Algemeen, The Catch

Ellen Deckwitz (1982) was in 2009 Nederlands kampioen Poetry Slam, en won drie jaar later voor haar debuutbundel De steen vreest mij (2011) de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut. Daarna verschenen de dichtbundels Hoi Feest (2014) en De blanke gave (2016), de handboeken Zo wordt je een geweldige dichter (2015) en Olijven moet je leren eten (2016), en talloze columns in NRC Handelsblad, NRC Next en De Morgen. Verder verloor ze weliswaar de finaleweek van De slimste mens in 2014, maar ze won wel de Grote Bijbelquiz in 2015 en 2016 én de NTR Boekenquiz in 2016. Bovendien is ze een zwaargewicht op het gebied van voetbalkennis en was ze in de zomer van 2012 deskundige voor het EK voetbal in het NOS-radioprogramma Met het Oog Op Morgen.

IJSWATER

Daar komt hij doorweekt aan, geheel afgetraind
met dat sexy opgeschoren streepje tussen zijn haren
ik ontvang hem met gespreide benen maar zoals altijd
word ik op de avond die aan een wedstrijd voorafgaat
geweerd.

Hij is nu slechts een flacon. Tjokvol testosteron
dat geen mond, omhelzing of kruis nog aanbreken mag,
hij moet alle zorgvuldig opgebouwde stootkracht voor zichzelf houden.

Maar zie hem nou staan met dat handdoekje om, tjokvol hormonen die hij niet op mij mag afreageren maar contractueel bewaren moet
voor die nog grotere grasmat, naakt

kruipt hij naast me in bed en ik mag geen dij beroeren.
Zijn heupen zijn witter en harder dan marmer,
ik mag hem niet naar me toe mag draaien, hij vertrouwt zijn lijf
eerder toe aan ijswater dan aan mijn hete handen,

morgenavond mag ik in de kou staan, tussen de drooggeföhnde vrouwen
die vanachter de hekken naar hun mannen hunkeren, hen zien hollen
over de velden en wij maar verlangen, buitenspel staan,
weten dat voor onze strelingen slechts ruimte is in de blessuretijd.

Bernard Wesseling – “Noord, Staat van de Straat”

mei 8, 2018  |  Algemeen, The Catch

Bernard Wesseling (1978) debuteerde als prozaschrijver in 2004 met de roman De favoriet. In 2010 verscheen zijn roman Portret van een onaangepaste, in 2017 gevolgd door de roman Gezelschapsjongen. Verder publiceerde hij drie dichtbundels: Focus (2006; C. Buddingh’ prijs), Naar de daken (2012) en & de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal (2016).

Hij vertaalt poëzie en proza vanuit het Engels en werkt als fietskoerier in Amsterdam.

 

Over ’t IJ

mijn geboortegrond bestaat uit water
op een woonark zag ik het licht spelen op het plafond
door mijn vingers een mobiel als een watermerk
een vignet van geluk

ik werd gedoopt in de kerk aan de overkant
kreet purper in het stenen vont

daarna werd de straat mijn wereld
een wereld van open eindes

van heggen vol kwetterende mussen
van dommelende iepenbomen
van vuilbekkende buurjongens uit woonwagens
van Marokkanen die overal de schuld van waren
van verveling sloeg ik een joch met dezelfde stok
waarmee ik ratelend langs een hek ging

alles was in die straat alles kwam op mijn voordeur uit
herinnerde zich ’s nachts tot en met de klinkers
een uitleg als een vissengraat
een kijkdoos in de kabbelende kwebbelende ruimte

daarachter maakten verregende weken van bouwputten
broedplaatsen voor watervogels

verder zie ik vanaf hier dreigend stil een meisje
bij het Florabad het gevaarte van haar gezicht
een levensgroot oog op het punt van enteren

 

Martin Reints – “melting ice”

april 1, 2018  |  Algemeen, The Catch

 foto: Katja Stam

Martin Reints (1950) is dichter en essayist. Zijn dichtbundel Lichaam en ziel (1992) werd bekroond met de Herman Gorter-prijs en voor de essaybundel Nacht- en dagwerk (1998) kreeg hij de J. Greshoff-prijs. Tussen de gebeurtenissen (2000) en Ballade van de winstwaarschuwing (2005) werden genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Zijn meest recente bundel, Wildcamera (2017), bevat zowel gedichten als beschouwingen, over onder meer de wolken van Berndnaut Smilde, de grootmoeders van Miwa Yanagi, ogen en handen bij Franciszka Themerson en Large Mountain van Anish Kapoor.

Geïnspireerd op de tentoonstelling melting ice van frank mandersloot schreef Martin Reints 3 gedichten.

Zhuang Zi bij de stoeltjes van Frank Mandersloot

Zhuang Zi: prettig slagwerk heb je daar neergezet
kan ik er ook op zitten?

Voorbijganger: is dat het goeie woord, slagwerk?

Frank Mandersloot: nou ja, ik heb het niet voor niets neergezet,
en daar staan nog meer van dat soort dingen
maar of het slagwerken zijn maken jullie uit

Zhuang Zi: in ieder geval zit het lekker
niet te warm, niet te hard, niet te ruw
en moet je eens horen, als je ertegen blaast

Voorbijganger: waar wachten we op?

Frank Mandersloot: hier maak ik even een foto van

Zhuang Zi: laten we wachten tot ze versleten zijn
en de wind ze verspreidt over de wereld.

 

John Cage komt de trap van Nieuw Dakota af

Zhuang Zi: hoor je de wind, buiten? en hoor je
hoe iemand daar in de leesruimte boven zijn stoel verzet?
ik denk een bezoeker die een vraaggesprek met je zit te lezen

Frank Mandersloot: die bezoeker? dat is John Cage

Voorbijganger: de componist van dat klaterende water?

Frank Mandersloot: de componist van de stilte
die in de verre toekomst wordt verdreven
als je je het klaterende water herinnert

Voorbijganger: hij komt de trap af

John Cage: waar gaan we heen?
wat zijn we aan het doen?

Frank Mandersloot: het verleden ontstaat uit de toekomst
maar iets wat een troon is geweest
is iets anders dan iets wat geen troon is geweest.

 

Voorbijganger ziet geen paard voor de deur

Voorbijganger: het klaterende ijs, de krakende stoom,
het fluitende water: terwijl je kijkt veranderen ze niet

John Cage: elk voorwerp heeft zijn eigen klank,
dat hoor je als je ertegen tikt
het is het enige antwoord dat een voorwerp kan geven

Frank Mandersloot: er staat een wit paard voor de deur
maar je ziet het niet en het is geen paard,
je bent het zelf

John Cage: (…)

Zhuang Zi: ik ben nog steeds aan het zitten
maar ik begin het langzaam te vergeten

Frank Mandersloot: moet je dat water zien
aan de andere kant van de wereld,
hoe de wind daar overheen gaat.

Sylvia Hubers, “Beautiful Distress”

oktober 9, 2017  |  Algemeen, The Catch

   foto: Harry van Kesteren

Sylvia Hubers liet zich inspireren door de tentoonstelling Beautiful Distress en schreef nieuwe poëzie. Zij droeg deze op de laatste dag van de tentoonstelling voor.
Sylvia Hubers schrijft gedichten, prozagedichten en kort vreemd proza. Ze publiceerde zes dichtbundels. In 2015 verscheen bij Prometheus haar eerste bundel microproza Hier moet ik ingrijpen. Van 2009 tot 1013 was ze stadsdichter van Haarlem. Ze leest geregeld voor en werkt samen met kunstenaars en muzikanten, o.a. in ‘FamilyTies‘, WW&V en De Vorlesebühne. Dit jaar verschijnt haar tweede bundel microproza. www.sylviahubers.nl

      I. De natuurkrachten

Ik beklim een muur. Dat is zonde van mijn tijd en energie, omdat het veel
makkelijker zou zijn de muur plat neer te leggen en er als vanzelfsprekend
overheen te lopen. Maar zo is het in mijn wereld niet. Ik behoor verticaal tegen
de natuurkrachten in te gaan.

      II. Wat ik wilde

Ergens in mij zat iets dat een beetje moeite had met mij. Ik wilde dood – nee
dat wilde ik niet, ik wilde smelten, met iemand – nee nee nee, ik wilde smelten
met niemand – ik wilde korrels worden in een kattenbak of caviaruif bij
diervriendelijke mensen – nee dat ook niet, ik wilde in de papierversnipperaar
als geflopte romans van mislukte schrijvers – dat moest ik ook niet willen – ik
wilde oplossen in niets, opdat ik oplossingen zou zijn voor hele grote
problemen – ik wilde op heel veel plaatsen tegelijk zijn – om er te zijn.

      III. Tegen wie ik het heb

Als ik wist wie ik was kon ik mezelf zijn ze zeggen steeds dat je jezelf moet zijn
alleen maar jezelf maar wat als je niet weet wie je bent wie je bent zeggen ze
er niet bij zoek het effe lekker zelf uit dat zeggen ze als ze zeggen dat je jezelf
moet zijn zonder erbij te zeggen wie je bent nou weet jij wie je bent ik durf
te wedden dat zij zelf ook niet weten wie ze zijn dat zij dat ook niet weten en dan
tegen de anderen gaan zeggen dat zij zichzelf moeten zijn maar dat ze dat net
zo goed konden zeggen tegen zichzelf zeg ik dan maar tegen mezelf ook al
weet ik dan niet tegen wie ik het heb.

Joost Baars – “Monochromatic”

oktober 9, 2017  |  Algemeen, The Catch

 foto: Tessa Posthuma de Boer

Joost Baars (1975) is dichter en essayist. Hij debuteerde in het voorjaar van 2017 bij Uitgeverij Van Oorschot met de bundel Binnenplaats, die zeer lovend werd ontvangen en werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij schrijft met enige regelmaat stukken voor AwaterPoëziekrant en Liter en is sinds kort redacteur van het op beeldende kunst en literatuur gerichte weblog Yes The Void.

genealogie van het spreken 

huilen pijn voedsel zei de chimpansee
toen men hem vroeg

een radijs te beschrijven. spreken

is woorden tot je beschikking
hanteren voor waar-

voor ze in jou nog ontbreken.
huilen pijn voedsel, zeg je

nog voordat de eerste
je lippen verlaat,

blijf je zeggen daarna
met elk woord dat je leert

huilen. pijn. voedsel. iedere.

keer. als een cel bij het delen,
een vis op het droge, een vloot-

kapitein die landt aan een land
dat hij niet heeft gezocht

en zijn zwaard trekt, een volk
dat zijn witte verdelger

verwelkomt als god. dan de man
die uiteenvalt die achter

al die uiteenval de kamer
betreedt waarin wij

met elkaar in uiteenval
verkeren, verwonde

verwoording vertrokken verstomd

in een woordloze o
een kuikengebed

om hem die het lichaam
als moeder verteert

tot huilenpijnvoedsel

een nieuw eerste
woord voor ons

sprekers van taal zonder vrucht.

Frank Keizer – “Home Is Where You Fit”

september 7, 2017  |  Algemeen, The Catch

    Foto: Koen  Broos

Frank Keizer (1987) woont in Amsterdam-Noord en schrijft gedichten en essays. Hij publiceerde twee chapbooks bij Uitgeverij Stanza: Dear world, fuck off, ik ga golfen (2012) en Mijn eigen problemen (2015). In januari 2016 verscheen bij Uitgeverij Polis zijn eerste volledige bundel Onder normale omstandigheden. Hij is redacteur bij tijdschrift nY en richtte samen met dichter Maarten van der Graaff het online tijdschrift Samplekanon op.
Op  15 september droeg Frank Keizer zijn werk voor, dat hij geïnspireerd op Home Is Where You Fit van MG&M Collective schreef. Aansluitend vond het debat Home Is Where You Fit plaats.

 

 

Wie je bent, hangt af van waar je bent. Je beweegt eigenlijk binnen gerechtelijke grenzen, maar die zijn onzichtbaar, als je niet hoeft te rennen voor je leven. Je bekrachtigt niets, annuleert niets, maar zoals je verliezen hebt die bijkomstig zijn, achteloos de taal van relaties binnensluipen, zo heb je ook winst waarvoor je niets hoeft te doen, alleen maar hoeft te zijn, waar dan ook. Zie je het singuliere, en hoe feilloos het overgaat in het universele, dat gelegen komt? Het is een prachtige route, langs kliffen als Instamomenten die vroeger majestueus heetten. Nu is dat woord gereserveerd voor stofwolken en ruïnes. Een soort anomie. Maar natuurlijk bestaat er geen waar dan ook, ik ben hier, in mijn slechte middelstand. Wat je wilt is reeksen doorbreken. Zoals: huisjes die huizen imiteren, het bordje waar refugees op staat, het echte geweld van symbolisch geweld, of was het andersom. En deze: geen idee hebben is geen hoop hebben is geen thuis hebben. Het moet anders. Het is oorlog.

 

 

 

In een vroeger werk van Gil & Moti zien we een vluchteling die vertelt dat hij zijn land ontvluchtte omdat hij anders was, om bij aankomst in Zweden opnieuw anders te worden. Hij klimt uit het zwembad, springt weer in het zwembad. Anders anders, denk ik meteen, want je verdachte beweeglijkheid is ingeruild voor een verdachte starheid. Eerst word je van binnen bekeken, en daarna van buiten – een gedachte die je nog een beetje moet uitwerken. De jongen lacht onophoudelijk, niet breeduit maar een beetje nerveus, waardoor er een vreemde wanverhouding ontstaat tussen wat hij vertelt, zijn buitenstaanderschap, zijn gevoelens van eenzaamheid, en de manier waarop hij vertelt, zijn mimiek, zijn houding. Komisch, alsof hij gevangen zit en op een ontsnapping wacht, nee misschien niet alsof. Het komische is tenslotte gebouwd op wanverhouding, een omkering: de verwachtingen worden niet ingelost, maar het trauma kan meteen worden verwerkt door geruststellende absurditeit. Orde verstoord, orde restored. Maar wat als er niets komisch is aan deze lach? Wat als de jongen lacht uit schaamte? Niet weten waar je bent, niet weten wat je moet voelen, betrapt om je heen kijken, je lacht wat, verdrijft het gevoel van ongemak. Schaamte: iets innerlijks dat ongewild naar buiten komt. Schaamte is vaak precies niets om je voor te schamen, het is een interesse, een nieuwsgierigheid die tenietgedaan gewordt, maar nooit helemaal. En de kracht van deze emotie is zo sterk dat het kapot kan maken wie je wilt zijn. Wat blijft erover? Een breekbare basis voor verbondenheid misschien: schaamte kleurt en isoleert ons, maar doet ook verlangen. Je voelt het kriebelen en jeuken en je hart verwarmen. Gelukkig zijn, dat is gewoon zijn, de schaamte voorbij. Maar nooit zonder erdoorheen te gaan, erdoor besmet te worden. Veranderd. We zijn verstrengeld in elkaars blik, de jongen en ik, die een gedeelde blik wordt. Wat moet ik doen, terug lachen? Ik schaam me, dat is wat je doet als je iemand niet kent die je wel wil leren kennen.

 

 

 

Eten of schilderen? Verf of sigaretten? Cobra bestond bij gratie van zulke beslissingen. Wanneer houden zulke beslissingen op ertoe te doen? Het antwoord zou geld kunnen zijn, of een ander woord voor geld: autonomie. Maar Cobra stopte omdat Asger Jorn er met de vrouw van Constant van doorging – veredelde roddel, volgens de curator van het Cobramuseum. Cobra, zeggen kunsthistorici, stopte eigenlijk niet echt, maar ging op in nieuwe samenwerkingen. Er is continuïteit, maar we willen breuken. Je kunt ook zeggen: de handtekeningen waren gezet, de groep werd al geschiedenis, time to move on. Laten we hergroeperen, vernetwerkt raken, onszelf opnieuw uitvinden. Door de naoorlogse wereld rommelde een morsige energie, die korte tijd het idee voedde dat kunst een nieuwe maatschappij kon voorspiegelen, zo niet maken, en dat al die manieren waarop je kon rotzooien materiaalonderzoek was voor een komende wereld. Dat ging verder dan dit of dat ene schilderij, de singuliere maker, al die mystificaties die nu in musea hangen. Dan is roddel de taal waarin het collectief vertelt over zijn eigen geschiedenis, een soort openbaarheid van de armoe. Nu romantiseer ik ook. Bestaat er eigenlijk een naoorlogse wereld? Is er nog interessante armoede? Eerst deden kunstenaars alles zelf, later kregen ze hulp van bureaucraten, technici, wetenschappers, curatoren. Je kunt ook zeggen: autonomie is een relatie. Dit wordt zo wel weer gemakkelijk een verhaal van onttovering, kijk maar eens waar we nu zijn – kunst is neoliberaal, witgewassen, een glijmiddel voor het genetwerkte kapitalisme. Allemaal waar, maar het afwijzen alleen interesseert me niet meer. Kunstgeschiedenis is het maken van mythen, kunst is het wanneer iemand schildert, schrijft, eten moet kopen. Wat wordt er afgepeld, welk verhaal wordt doorverteld?Ik weet wat ik vandaag doe, over morgen heb ik geen idee.

 

 

 

In elk geval voel ik me minder slecht, ik schrik niet meer, en dat kan genoeg zijn. Is dat sentimenteel? Toebehoren aan jezelf, de vrijheid van het individu hebben, de fantasie waarop onze levens zijn gebouwd. Terwijl je banaliteit gewoon wilt, misschien, even niet verlangen naar intensivering. Ik ben niet tegen. Geloof er misschien wel in zelfs. Ik vraag me alleen af wat mijn vrijheid doet. Werken? Dat in elk geval. Beschikken over dood en leven? Ook. Het utopisch universalisme heeft offers nodig, en die lopen door lege straten. We zijn in de staat, maar niet van de staat. Intussen vraag ik me af welke schrille soevereiniteit ik heb, hoe ik verneder. Er is een grote bezitsloze klasse, en een paar klassenloze bezitters. Die kant gaan we op, toch? Zijn de voorwaarden voor het communisme dan toch aanwezig? Wat ons vermindert en wat ons doet leven, wilde Spinoza weten. En dat was geen test, wat werkt het best, maar een interesse in werkzaamheid. Potentie. Hoe we onszelf kunnen doen leven, zelfs als dat maar overleven is. Het is tijd nu. Tijd van het nu, het nog, nog niet, nog niet helemaal, het nee, het misschien, misschien nog dit, wat al wel, dit nog, daar, hier, en daartussen.

 

Tsead Bruinja – “Inside Outside”

april 12, 2017  |  Algemeen, The Catch

 

 

 

 

 

 

Foto: Tineke de Lange

 

Tsead Bruinja (Rinsumageest, 1974) is dichter in het Fries en in het Nederlands. Zijn meest recente bundels zijn Stofsûgersjongers / Stofzuigerzangers (Afûk, 2013) en Binnenwereld buitenwijk natuurlijke omstandigheden (Cossee, 2015). Bruinja stelt bloemlezingen samen, recenseert, presenteert, interviewt en treedt op in binnen- en buitenland. Daarnaast werkt hij regelmatig samen met muzikanten, beeldend kunstenaars en vormgevers. Verder is Bruinja werkzaam als docent poëzie aan de opleiding Creative Writing (Artez, Arnhem).Tijdens Inside Outside en Depth of Field #3 van Maze de Boer zal Tsead Bruinja nieuwe poëzie schrijven en deze voordragen in het laatste weekend van de tentoonstelling .

op beton is het koud liggen

een beitel glijdt uit een hand
die zich ontspant en valt
op een andere beitel

in de plastic gereedschapsbak deint geluid
van wand naar wand

om het vlak onderaan de machine
wordt schuurpapier geknecht

nerven van het apparaat vullen zich met stroom

in het zonlicht danst zaagsel
en valt op haar schoen

haalt ze die weg dan zie je omtrek
beton ligt koud

aan de andere kant van de radio
wordt een schuif opengezet
longen gevuld met adem

vader en zoon zijn verwikkeld in een afschuwelijk ongeluk
vader sterft zoon wordt naar het ziekenhuis gehaast
net voor hij onder het mes moet zegt de chirurg
ik kan die jongen niet redden
het is mijn zoon

misschien heeft ze kort haar rood haar lang haar
kroeshaar een paardenstaart hoge hakken
of zweedse klompen aan

een dode vader zingt

draag altijd een veiligheidsbril
een gewone bril of een zonnebril
is geen veiligheidsbril

raadsel zaagselt in de zon
waar het hout wordt getemd
en de radio zich opnieuw vult
met moed en adem

 

 

Annemieke Gerrist – “Body Betrays Itself”

december 10, 2016  |  The Catch

annemiekegerrist

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Ze debuteerde in 2008 met de dichtbundel Waar is een huis bij uitgeverij De Bezige Bij, waar in 2016 ook haar tweede bundel Het volume van een logé verscheen. Over haar werk schreef NRC Handelsblad: ‘Haar alledaagse onderwerpkeuze staat haaks op haar collagetechniek. Keer op keer monteert ze taalfragmenten aaneen die doorgaans niet logisch samenhangen. Annemieke Gerrist beheerst het handwerk van de vervreemding.’