STEUN ONS

Frank Keizer – “Home Is Where You Fit”

september 7, 2017  |  Algemeen, The Catch

    Foto: Koen  Broos

Frank Keizer (1987) woont in Amsterdam-Noord en schrijft gedichten en essays. Hij publiceerde twee chapbooks bij Uitgeverij Stanza: Dear world, fuck off, ik ga golfen (2012) en Mijn eigen problemen (2015). In januari 2016 verscheen bij Uitgeverij Polis zijn eerste volledige bundel Onder normale omstandigheden. Hij is redacteur bij tijdschrift nY en richtte samen met dichter Maarten van der Graaff het online tijdschrift Samplekanon op.
Op  15 september droeg Frank Keizer zijn werk voor, dat hij geïnspireerd op Home Is Where You Fit van MG&M Collective schreef. Aansluitend vond het debat Home Is Where You Fit plaats.

 

 

Wie je bent, hangt af van waar je bent. Je beweegt eigenlijk binnen gerechtelijke grenzen, maar die zijn onzichtbaar, als je niet hoeft te rennen voor je leven. Je bekrachtigt niets, annuleert niets, maar zoals je verliezen hebt die bijkomstig zijn, achteloos de taal van relaties binnensluipen, zo heb je ook winst waarvoor je niets hoeft te doen, alleen maar hoeft te zijn, waar dan ook. Zie je het singuliere, en hoe feilloos het overgaat in het universele, dat gelegen komt? Het is een prachtige route, langs kliffen als Instamomenten die vroeger majestueus heetten. Nu is dat woord gereserveerd voor stofwolken en ruïnes. Een soort anomie. Maar natuurlijk bestaat er geen waar dan ook, ik ben hier, in mijn slechte middelstand. Wat je wilt is reeksen doorbreken. Zoals: huisjes die huizen imiteren, het bordje waar refugees op staat, het echte geweld van symbolisch geweld, of was het andersom. En deze: geen idee hebben is geen hoop hebben is geen thuis hebben. Het moet anders. Het is oorlog.

 

 

 

In een vroeger werk van Gil & Moti zien we een vluchteling die vertelt dat hij zijn land ontvluchtte omdat hij anders was, om bij aankomst in Zweden opnieuw anders te worden. Hij klimt uit het zwembad, springt weer in het zwembad. Anders anders, denk ik meteen, want je verdachte beweeglijkheid is ingeruild voor een verdachte starheid. Eerst word je van binnen bekeken, en daarna van buiten – een gedachte die je nog een beetje moet uitwerken. De jongen lacht onophoudelijk, niet breeduit maar een beetje nerveus, waardoor er een vreemde wanverhouding ontstaat tussen wat hij vertelt, zijn buitenstaanderschap, zijn gevoelens van eenzaamheid, en de manier waarop hij vertelt, zijn mimiek, zijn houding. Komisch, alsof hij gevangen zit en op een ontsnapping wacht, nee misschien niet alsof. Het komische is tenslotte gebouwd op wanverhouding, een omkering: de verwachtingen worden niet ingelost, maar het trauma kan meteen worden verwerkt door geruststellende absurditeit. Orde verstoord, orde restored. Maar wat als er niets komisch is aan deze lach? Wat als de jongen lacht uit schaamte? Niet weten waar je bent, niet weten wat je moet voelen, betrapt om je heen kijken, je lacht wat, verdrijft het gevoel van ongemak. Schaamte: iets innerlijks dat ongewild naar buiten komt. Schaamte is vaak precies niets om je voor te schamen, het is een interesse, een nieuwsgierigheid die tenietgedaan gewordt, maar nooit helemaal. En de kracht van deze emotie is zo sterk dat het kapot kan maken wie je wilt zijn. Wat blijft erover? Een breekbare basis voor verbondenheid misschien: schaamte kleurt en isoleert ons, maar doet ook verlangen. Je voelt het kriebelen en jeuken en je hart verwarmen. Gelukkig zijn, dat is gewoon zijn, de schaamte voorbij. Maar nooit zonder erdoorheen te gaan, erdoor besmet te worden. Veranderd. We zijn verstrengeld in elkaars blik, de jongen en ik, die een gedeelde blik wordt. Wat moet ik doen, terug lachen? Ik schaam me, dat is wat je doet als je iemand niet kent die je wel wil leren kennen.

 

 

 

Eten of schilderen? Verf of sigaretten? Cobra bestond bij gratie van zulke beslissingen. Wanneer houden zulke beslissingen op ertoe te doen? Het antwoord zou geld kunnen zijn, of een ander woord voor geld: autonomie. Maar Cobra stopte omdat Asger Jorn er met de vrouw van Constant van doorging – veredelde roddel, volgens de curator van het Cobramuseum. Cobra, zeggen kunsthistorici, stopte eigenlijk niet echt, maar ging op in nieuwe samenwerkingen. Er is continuïteit, maar we willen breuken. Je kunt ook zeggen: de handtekeningen waren gezet, de groep werd al geschiedenis, time to move on. Laten we hergroeperen, vernetwerkt raken, onszelf opnieuw uitvinden. Door de naoorlogse wereld rommelde een morsige energie, die korte tijd het idee voedde dat kunst een nieuwe maatschappij kon voorspiegelen, zo niet maken, en dat al die manieren waarop je kon rotzooien materiaalonderzoek was voor een komende wereld. Dat ging verder dan dit of dat ene schilderij, de singuliere maker, al die mystificaties die nu in musea hangen. Dan is roddel de taal waarin het collectief vertelt over zijn eigen geschiedenis, een soort openbaarheid van de armoe. Nu romantiseer ik ook. Bestaat er eigenlijk een naoorlogse wereld? Is er nog interessante armoede? Eerst deden kunstenaars alles zelf, later kregen ze hulp van bureaucraten, technici, wetenschappers, curatoren. Je kunt ook zeggen: autonomie is een relatie. Dit wordt zo wel weer gemakkelijk een verhaal van onttovering, kijk maar eens waar we nu zijn – kunst is neoliberaal, witgewassen, een glijmiddel voor het genetwerkte kapitalisme. Allemaal waar, maar het afwijzen alleen interesseert me niet meer. Kunstgeschiedenis is het maken van mythen, kunst is het wanneer iemand schildert, schrijft, eten moet kopen. Wat wordt er afgepeld, welk verhaal wordt doorverteld?Ik weet wat ik vandaag doe, over morgen heb ik geen idee.

 

 

 

In elk geval voel ik me minder slecht, ik schrik niet meer, en dat kan genoeg zijn. Is dat sentimenteel? Toebehoren aan jezelf, de vrijheid van het individu hebben, de fantasie waarop onze levens zijn gebouwd. Terwijl je banaliteit gewoon wilt, misschien, even niet verlangen naar intensivering. Ik ben niet tegen. Geloof er misschien wel in zelfs. Ik vraag me alleen af wat mijn vrijheid doet. Werken? Dat in elk geval. Beschikken over dood en leven? Ook. Het utopisch universalisme heeft offers nodig, en die lopen door lege straten. We zijn in de staat, maar niet van de staat. Intussen vraag ik me af welke schrille soevereiniteit ik heb, hoe ik verneder. Er is een grote bezitsloze klasse, en een paar klassenloze bezitters. Die kant gaan we op, toch? Zijn de voorwaarden voor het communisme dan toch aanwezig? Wat ons vermindert en wat ons doet leven, wilde Spinoza weten. En dat was geen test, wat werkt het best, maar een interesse in werkzaamheid. Potentie. Hoe we onszelf kunnen doen leven, zelfs als dat maar overleven is. Het is tijd nu. Tijd van het nu, het nog, nog niet, nog niet helemaal, het nee, het misschien, misschien nog dit, wat al wel, dit nog, daar, hier, en daartussen.